Schriftlezingen van de zondag

Palmzondag 5 april

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden en de Olijfberg bestegen in de richting van Betfage, zond Jezus twee van hen vooruit met de opdracht: „Gaat naar het dorp, daar vóór u en het eerste dat ge zult vinden is een vastgebonden ezelin met een veulen. Maakt die los en brengt ze bij mij. En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan: De Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen.” Dit gebeurde, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet: „Zeg aan de dochter van Sion Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.” De leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. Zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen en Hij ging erop zitten. Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels uit op de weg, terwijl anderen de weg bedekten met twijgen die zij van de bomen hadden gesneden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: „Hosanna, Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam van de Heer! Hosanna in den hoge!” Toen Hij Jeruzalem binnentrok, raakte de hele stad in beroering en men vroeg: „Wie is dat?” Het volk antwoordde: „Dit is de profeet Jezus uit Nazareth in Galilea.”

Eerste lezing uit de Profeet Jesaja (Jes., 50, 4-7)

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken: ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en Ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik, aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan en zal ik geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.
Woord van de Heer.

Tweede lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi (Fil., 2, 6-11)

Broeders en zusters, Hij, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.
Woord van de Heer.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd ging een van de twaalf, Judas Iskariot geheten,
naar de hogepriesters en zei:
„Wat wilt ge mij geven als ik u Jezus in handen speel?”
Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit.
En van toen af
zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren.
Op de eerste dag van het ongedesemde brood
kwamen de leerlingen Jezus vragen:
„Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?”
Hij antwoordde:
„Gaat naar de stad en zegt aan die en die:
De Meester Iaat weten:
Mijn uur is nabij;
bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.”
De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen
en maakten het paasmaal gereed.
Toen de avond gevallen was lag Hij met de twaalf leerlingen aan.
Onder de maaltijd sprak Hij:
„Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.”
Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen:
„Ik ben het toch niet, Heer?”
Hij antwoordde:
„Die met Mij zijn hand in de schotel steekt zal Mij overleveren.
„Wel gaat de Mensenzoon heen,
zoals van Hem geschreven staat,
maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd !
„Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!”
Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei:
„Ik ben het toch niet, Rabbi?”
Hij antwoordde hem:
„Gij zegt het.”

Onder de maaltijd nam Jezus brood,
sprak de zegen uit, brak het
en gaf het aan zijn leerlingen, met de woorden:
„Neemt, eet; dit is mijn Lichaam.”
Daarna nam Hij de beker,
en, na het spreken van het dankgebed,
reikte Hij hun die toe met de woorden:
„Drinkt allen hieruit.
Want dit is mijn Bloed van het Verbond,
dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
„Maar Ik zeg u:
Van nu af zal Ik niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt
tot op de dag waarop Ik het met u, nieuw, zal drinken
in het Koninkrijk van mijn Vader.”
Nadat zij de lofzang gezongen hadden gingen zij naar de Olijfberg.

Toen sprak Jezus tot hen:
„In deze nacht zult ge allen aanstoot aan Mij nemen.
„Want er staat geschreven:
Ik zal de herder slaan
en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
„Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.”
Toen zei Petrus:
„AI zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit.”
Jezus zei:
„Voorwaar, Ik zeg u nog deze nacht,
vóór het kraaien van de haan, zult gij Mij driemaal verloochenen.”
Petrus antwoordde Hem:
„AI moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen.”
In diezelfde geest spraken ook al de leerlingen.

Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette
sprak Hij tot zijn leerlingen:
„Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.”
Petrus en de twee zonen van Zebedeus nam Hij echter met zich mee.
Hij begon bedroefd en beangst te worden.
Toen sprak Hij tot hen:
„Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.”
Nadat Hij een weinig verder was gegaan
wierp Hij zich plat ter aarde en bad:
„Mijn Vader, als het mogelijk is, Iaat deze beker Mij voorbijgaan.
„Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.”
Toen ging Hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap;
en Hij sprak tot Petrus:
„Ging het dan uw krachten te boven één uur met Mij te waken?
„Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat.
„De geest is wel gewillig, maar het vlees zwak.”
Hij verwijderde zich voor de tweede keer
en weer bad Hij:
„Vader, als het niet mogelijk is
dat die beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink:
dat dan uw wil geschiede.”
En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap
want hun oogleden waren zwaar.
Hij liet hen met rust,
ging weer heen en bad voor de derde maal
nogmaals met dezelfde woorden.
Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen:
„Slaapt dan maar door en rust uit!
„Nu is het uur gekomen waarop de Mensenzoon
wordt overgeleverd in de handen van zondaars.
„Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.”

Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas,
een van de twaalf,
vergezeld van een grote bende met zwaarden en knuppels,
gestuurd door de hogepriesters en de oudsten van het volk.
Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:
„Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem.”
Hij ging recht op Jezus af en zei:
„Gegroet Rabbi”,
en hij kuste Hem.
Jezus sprak tot hem:
„Vriend, zijt ge daarvoor hier?”
Toen kwamen zij naar voren,
grepen Jezus vast en maakten zich van Hem meester.
Maar een van Jezus’ gezellen greep naar zijn zwaard,
trok het en sloeg met één houw
de knecht van de hogepriester het oor af.
Toen sprak Jezus tot hem:
„Steek uw zwaard weer op zijn plaats.
Want allen die naar het zwaard grijpen
zullen door het zwaard omkomen.
„Of meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen,
die Mij dan aanstonds
meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen?
„Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan
die zeggen dat het zo gebeuren moet?”
Nu richtte Jezus zich tot de bende:
„Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels
om Mij gevangen te nemen.
„Dagelijks zat Ik in de tempel te onderrichten
en toch hebt gij Mij niet gegrepen.
„Maar dit alles is geschied
opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan.
“Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht.

Nu zij Jezus in hun macht hadden
voerden zij Hem naar de hogepriester Kajafas,
waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren.
Petrus bleef Hem op een afstand volgen
tot aan het paleis van de hogepriester;
hij ging naar binnen en zette zich neer bij het dienstvolk
om te zien hoe het af zou lopen.
De hogepriester en het hele Sanhedrin
zochten naar een schijngetuigenis tegen Jezus
om Hem ter dood te kunnen brengen,
maar ze vonden er geen,
ofschoon er vele valse getuigen optraden.
Ten slotte echter kwamen er twee verklaren:
„Die man daar heeft beweerd:
Ik kan de tempel van God afbreken
en in drie dagen weer opbouwen.”
Toen stond de hogepriester op en sprak tot Hem:
„Geeft Ge geen antwoord?
„Wat getuigen deze mensen tegen U ?”
Maar Jezus bleef zwijgen.
Toen sprak de hogepriester tot Hem:
„Ik bezweer U bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt,
de Zoon van God.”
Jezus gaf hem ten antwoord:
„Gij zegt het.
„Maar Ik zeg u: vanaf nu zult ge de Mensenzoon
zien zitten aan de rechterhand van de Macht
en komen op de wolken des hemels.”
Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit:
„Hij heeft God gelasterd;
waartoe hebben wij nog getuigen nodig?
„Gij hebt nu toch de godslastering gehoord !
„Wat denkt gij daarvan?”
Zij antwoordden:
„Hij verdient de doodstraf.”
Daarop spuwden zij Hem in het gezicht
en sloegen Hem met de vuist;
anderen sloegen Hem met een stok, terwijl ze zeiden:
„Wees nu eens voor ons profeet, Messias:
wie is het die U geslagen heeft?”
Intussen zat Petrus op de open binnenplaats.
Hier trad een dienstmeisje op hem toe en zei:
„Jij was ook bij Jezus de Galileeër.”
Maar hij ontkende het waar allen bij waren en zei:
„Ik weet niet wat je bedoelt.”
Hierna ging hij naar het poortgebouw,
maar een ander dienstmeisje merkte hem op
en zei tot de aanwezigen:
„Die daar was bij Jezus de Nazoreeër!”
Hij ontkende opnieuw met een eed:
„Ik ken die mens niet.”
Even daarna kwamen de omstanders dichterbij
en zeiden tot Petrus:
„Waarachtig, jij bent er ook een van !
Het is duidelijk aan je spraak te horen.”
Toen begon hij te vloeken en te zweren:
„Ik ken die mens niet.”
Onmiddellijk daarop kraaide een haan.
En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, die gezegd had:
„Voor het kraaien van de haan
zult ge Mij driemaal verloochenen.”
Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen.

Bij het aanbreken van de morgen
kwamen alle hogepriesters en oudsten van het volk in vergadering bijeen
en spraken over Jezus het doodvonnis uit.
Geboeid leidde men Hem weg
en leverde Hem uit aan de landvoogd Pilatus.
Toen Judas, zijn verrader, zag dat Jezus veroordeeld was
kreeg hij wroeging, en bracht de dertig zilverlingen
terug bij de hogepriesters en ouderlingen, met de woorden:
„Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verraden.”
Maar zij antwoordden:
„Wat gaat ons dat aan? „Dat is uw zaak.”
Toen gooide hij de zilverlingen in de tempel en liep weg.
Hij ging heen en verhing zich.
De hogepriesters raapten de geldstukken op en zeiden:
„Wij mogen die niet bij de tempelschat doen,
want het is bloedgeld.”
En zij besloten er het land van de pottenbakker mee te kopen
om daar de vreemdelingen te begraven.
Daarom kreeg dit stuk land de naam van Bloedakker
en zo heet het nog.
Aldus ging in vervulling wat de profeet Jeremia gezegd had:
Zij namen de dertig zilverlingen,
de prijs waarop Hij geschat is, geschat door zonen van Israël,
en gaven die voor de akker van de pottenbakker,
zoals de Heer mij opgedragen had.

Jezus werd voor de landvoogd geleid
en deze stelde Hem de vraag:
„Zijt Gij de koning der Joden?”
Jezus antwoordde:
„Gij zegt het.”
Op de beschuldigingen
door de hogepriesters en de oudsten tegen Hem ingebracht
gaf Hij geen enkel antwoord.
Toen zei Pilatus tot Hem:
„Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U inbrengen?”
Maar Hij gaf hem geen antwoord, op welk punt dan ook,
zodat de landvoogd hoogst verbaasd was.

De landvoogd was gewoon, bij elk feest één gevangene,
naar keuze van het volk, vrij te laten.
Men had juist een beruchte gevangene, een zekere Barabbas.
Nu zij daar toch bijeen waren sprak Pilatus tot hen:
„Wie wilt ge dat ik u zal vrijlaten,
Barabbas of Jezus die Christus genoemd wordt?”
Hij wist heel goed dat men Hem uit nijd had uitgeleverd.
Terwijl hij op zijn rechterstoel gezeten was
stuurde zijn vrouw hem de boodschap:
„Laat u niet in met deze rechtschapen mens,
want ik heb vannacht in een droom
veel om Hem moeten doorstaan.”
Maar de hogepriester en de oudsten
haalden het volk over Barabbas te kiezen,
en Jezus te doen sterven.
De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen:
„Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?”
Ze zeiden:
„Barabbas !”
Pilatus vroeg hun:
„Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?”
Zij riepen allen:
„Aan het kruis met Hem !”
Hij hernam:
„Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”
Maar zij schreeuwden nog harder:
„Aan het kruis met Hem !”
Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam
maar dat er veeleer tumult ontstond,
liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen
terwijl hij verklaarde:
„Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man,
gij moet het zelf maar verantwoorden.”
Heel het volk riep terug:
„Zijn bloed korre over ons en onze kinderen !”
Daarop liet hij, omwille van hen, Barabbas vrij,
maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

Toen namen de soldaten van de landvoogd Jezus mee in het pretorium
en verzamelden de hele afdeling rondom Hem.
Zij trokken Hem zijn kleren uit
en hingen Hem een rode mantel om.
Ook vlochten ze een kroon van doorntakken,
zetten die op zijn hoofd
en gaven Hem een rietstok in de rechterhand.
Dan vielen ze voor Hem op de knieën
en bespotten Hem met de woorden:
„Gegroet, koning der Joden !”
Ze bespuwden Hem,
pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd.
Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden
ontdeden ze Hem van de mantel,
trokken Hem zijn eigen kleren weer aan
en voerden Hem weg ter kruisiging.
Toen ze de stad uitgingen
ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd
en vorderden hem tot het dragen van Jezus’ kruis.
Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt
– dat wil zeggen Schedelplaats –
gaven ze Hem met alsem gemengde wijn te drinken;
Hij proefde ervan, maar wilde niet drinken.
Nadat ze Hem gekruisigd hadden
verdeelden ze zijn Ieren onder elkaar, door er om te dobbelen;
en daar neergezeten, bleven ze de wacht bij Hem houden.
Boven zijn hoofd
bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroordeling:
Dit is Jezus, de koning der Joden.
Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd,
de een rechts, de ander links.
Voorbijgangers hoonden Hem,
terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
„Gij daar, die de tempel afbreekt
en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf;
als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van dat kruis af !”
In dezelfde geest zeiden de hogepriesters
met de schriftgeleerden en oudsten spottend:
„Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden.
„Hij is toch de koning van Israël
„Laat Hem nu van het kruis afkomen,
dan zullen we in Hem geloven.
„Hij stelt vertrouwen in God;
Laat Die Hem nu bevrijden als Hij behagen in Hem heeft.
„Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God !”
Zelfs de rovers die samen met Hem gekruisigd waren,
voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe.
Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land,
tot aan het negende uur toe.
Omstreeks het negende uur riep Jezus met luide stem uit
„Eli, Eli, lama sabaktani !”
dat wil zeggen:
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Enkelen uit de omstanders, die het hoorden, zeiden:
„Hij roept om Elia!”
Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen,
drenkte die in zure wijn,
stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken.
Maar de anderen zeiden:
„Laat dat! Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.”
Jezus slaakte andermaal een luide kreet
en gaf de geest.
(Hier knielen allen gedurende enige tijd.)

En zie, het voorhangsel van de tempel
scheurde van boven tot onder in tweeën,
de aarde beefde en de rotsen spleten.
De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen
die ontslapen waren stonden op.
Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven
en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen.
De honderdman en zij die met hem bij Jezus de wacht hielden,
werden bij het zien van de aardbeving en wat verder gebeurde
door een grote vrees bevangen en zeiden:
„Waarlijk, Hij was een Zoon van God.”
Er waren ook vele vrouwen bij, die op een afstand toekeken;
zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd
om voor Hem te zorgen.
Onder hen bevonden zich Maria Magdalena,
Maria de moeder van Jakobus en Jozef,
en de moeder der zonen van Zebedeus.

Toen het avond was geworden kwam een rijk man,
een zekere Jozef van Arimatéa,
die zich ook als leerling bij Jezus had aangesloten.
Hij was naar Pilatus gegaan
en had om het lichaam van Jezus gevraagd.
Daarop had Pilatus bevolen het te geven.
Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een smetteloze lijkwade
en legde het in zijn graf dat hij pas in de rots had laten uithouwen.
Nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gerold had,
ging hij heen.
Maria Magdalena en de andere Maria waren erbij
en zaten tegenover het graf.

De volgende dag, dat is dus na de voorbereidingsdag,
gingen de hogepriesters en Farizeeën
gezamenlijk naar Pilatus en zeiden:
„Heer, wij herinneren ons
dat die bedrieger toen Hij nog leefde gezegd heeft:
Na drie dagen zal Ik verrijzen.
„Geef daarom order
de veiligheid van het graf te verzekeren, tot de derde dag toe;
zijn leerlingen mochten Hem anders eens komen stelen
en aan het volk zeggen:
Hij is van de doden verrezen.
„Dit laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste.”
Pilatus zei hun:
„Ge kunt een wacht krijgen.
„Neemt dan maar uw veiligheidsmaatregelen
zoals gij u die gedacht hebt.”
Zij gingen heen
en verzekerden de veiligheid van het graf
door de steen te verzegelen en de wacht erbij te plaatsen.

Voorbede

Laten wij bidden tot God onze Vader.

Voor allen die leiding geven aan de Kerk,
dat zij in deze Goede Week met grote liefde
het lijden en sterven van Jezus gedenken.
Laat ons bidden…

Voor mensen die het geloof in Jezus hebben verloren.
Dat zij in de weg naar Hem terug moge vinden.
Laat ons bidden…

Voor allen die getroffen zijn door het corona-virus,
om hoop en genezing;
voor hen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg
dat zij Gods zegen en nabijheid mogen ervaren.
Laat ons bidden…

Voor al onze zieken
en voor allen die om ons gebed hebben gevraagd.
We bidden ook voor onze dierbare overledenen,
vandaag met name voor

Misintenties

Almachtige eeuwige God,
doe ons beseffen hoe groot uw liefde is voor ieder van ons
en dat Gij met ons zijt
nu wij de kwetsbaarheid van ons bestaan ervaren.
Versterk ons geloof en onze hoop
zodat wij ons vol vertrouwen overgeven
aan uw vaderlijke voorzienigheid.
Door Christus onze Heer.


VIJFDE ZONDAG IN DE VEERTIGDAGENTIJD 28 EN 29 MAART 2020

EERSTE LEZING Ez., 37, 12-14

Uit het boek Ezechiël

Zo spreekt God de Heer: “Ik ga uw graven openen; in massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren en u brengen naar de grond van Israël. En wanneer Ik dan uw graven geopend heb en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven, zult gij weten dat Ik de Heer ben. Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven; Ik zal u vestigen op uw eigen grond en gij zult weten dat Ik de Heer ben: Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!” Zo luidt de godsspraak van de Heer.

TWEEDE LEZING Rom., 8, 8-11

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome

Broeders en zusters, Zij die zelfzuchtig leven, kunnen God niet behagen. Maar uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, maar door de Geest, omdat de Geest van God in u woont. Zou iemand de Geest van Christus niet hebben, dan behoort hij Hem niet toe. Als Christus in u is, blijft wel uw lichaam door de zonde de dood gewijd, maar uw geest lééft, En als de Geest van God die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.

Zo spreekt de Heer.

EVANGELIE Joh.11, 1-45

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta. Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer.) De zusters van Lazarus stuurden Jezus de boodschap: “Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.” Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.” Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus. Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: “Laat ons weer naar Judea gaan.” (De leerlin¬gen zeiden: “Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen?” Jezus antwoordde: “Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar gaat iemand ‘s nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” Zo sprak Hij. En Hij voegde er aan toe: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.” Zijn leerlingen merkten op: “Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.” Jezus had echter van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. Daarom zei Jezus hun toen ronduit: “Lazarus is gestorven, en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan.” Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”) Bij zijn aankomst bevond Jezus dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. (Betanië nu was dichtbij Jeruza¬lem, op een afstand van ongeveer drie kilometer. Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.) Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. Marta zei tot Jezus: “Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” Jezus zei tot haar: “Uw broer zal verrijzen.” Marta antwoordde: “Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.” Jezus zei haar: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” Zij zei tot Hem: “Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.” (Na deze woor¬den ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: “De Meester is er en vraagt naar je.” Zodra Maria dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe. Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: “Heer, als Gij hier waart geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.” Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering) en diep ontroerd sprak Jezus: “Waar hebt gij hem neergelegd?” Zij zeiden Hem: “Kom en zie, Heer.” Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: “Zie eens hoe Hij van hem hield.” Maar sommigen onder hen zeiden: “Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?” Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. Jezus zei: “Neemt de steen weg.” Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: “Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag. Jezus gaf haar ten antwoord: “Zei Ik u niet, dat als gij gelooft ge Gods heerlijk¬heid zult zien?” Toen namen ze de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: “Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.” Na deze woorden riep Hij met luide stem: “Lazarus, kom naar buiten !” De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels gebonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: “Maakt hem los en laat hem gaan.” Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had, geloofden in Hem.

Zo spreekt de Heer.

VOORBEDE

Met Marta en Maria
willen ook wij ons biddend tot de Heer richten:

Voor onze Odaparochie op weg naar Pasen.
Wij bidden om moed en kracht om te leven vanuit
het geloof dat wij met ons doopsel hebben ontvangen.
Dat wij God en de naaste liefhebben en dienen.
Laat ons bidden…

Voor jongeren in ontwikkelingslanden
die door armoede geen onderwijs kunnen volgen.
Mogen zij kansen krijgen op scholing en training
en zicht krijgen op een mooie toekomst.
Laat ons bidden…

Voor allen die getroffen zijn door het corona-virus,
om hoop en genezing;
voor hen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg
dat zij Gods zegen en nabijheid mogen ervaren.
Laat ons bidden…

Voor alle zieken
en voor allen die om ons gebed hebben gevraagd.
We bidden ook voor onze dierbare overledenen,
dat zij met Lazarus mogen delen in het nieuwe leven
dat ons is toegezegd;
en vandaag bidden we met name voor

Misintenties

Bidden we in stilte voor onze persoonlijke intenties

Laat ons bidden…

Almachtige eeuwige God,
doe ons beseffen hoe groot uw liefde is voor ieder van ons
en dat Gij met ons zijt
nu wij de kwetsbaarheid van ons bestaan ervaren.
Versterk ons geloof en onze hoop
zodat wij ons vol vertrouwen overgeven
aan uw vaderlijke voorzienigheid.
Door Christus onze Heer.