Schriftlezingen van de zondag

4e ZONDAG IN DE VEERTIGDAGENTIJD 25 en 26 MAART 2017

EERSTE LEZING 1 Sam., 16, 1b, 6-7. 10-13a

Uit het eerste boek Samuël

In die dagen zei de Heer tot Samuël: “Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet, want een van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.” Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: Die daar voor de Heer staat is ongetwijfeld zijn gezalfde ! Maar de Heer zei tot Samuël: “Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil Ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart.” Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tot Isaï: “Geen van hen heeft de Heer uitverkoren.” Daarop vroeg hij aan Isaï: “Zijn dat al uw jongens?” Hij antwoordde: “Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.” Toen zei Samuël tot Isaï: “Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is.” Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei de Heer: “Hem moet gij zalven: hij is het.” Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van de Heer vaardig over David. Zo spreekt de Heer.

TWEEDE LEZING Ef.,5,8-14

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze

Broeders en zusters, Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht. De vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid. Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. Wat die mensen in het geheim doen is te schandelijk om er ook maar over te spreken. Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. En alles wat verhelderd wordt, is zelf “licht” geworden. Zo zegt ook de hymne: “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen.” Zo spreekt de Heer.

EVANGELIE Joh., 9, 1-41

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.(2 Zijn leerlingen vroegen Hem: “Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?” Jezus antwoordde: “Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden. Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.” Toen Hij dit gezegd had,) spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem: “Ga u wassen in de vijver van Siloam,” – wat betekent: gezondene. Hij ging ernaar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden: “is dat niet de man, die zat te bédelen?” Sommigen zeiden: “lnderdaad, hij is het.” Anderen: “Neen, hij lijkt alleen maar op hem.” Hijzelf zei: “Ik ben het.” (10 Toen vroegen ze hem: “Hoe zijn dan uw ogen geopend?” Hij antwoordde: “De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: Ga naar de Siloam en was u. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.” Ze vroegen hem toen: “Waar is die man ?” Hij zei: “Ik weet het niet.”) Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën; de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat. Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: “De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.” Toen zeiden sommige Farizeeën: “Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?” Zo was er verdeeldheid onder hen. Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: “Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?” Hij antwoordde: “Het is een profeet.” (18 De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen. Zij stelden hun toen de vraag: “Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? “Hoe kan hij dan nu zien?” Zijn ouders antwoordden: “Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren, maar hoe hij nu zien karT, weten we niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. “Vraagt het hemzelf, hij is oud genoeg en zal zelf zijn woord wel doen.” Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat alwie Hem als Messias beleed, uit de synagoge gebannen zou worden. Daarom zeiden zijn ouders: Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf. Voor de tweede maal riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest, bij zich en zeiden hem: “Geef eer aan God. “Wij weten dat die man die Jezus heet, een zondaar is.” Hij echter antwoordde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie.” Daarop vroegen zij hem wederom: “Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?” Hij antwoordde: “Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden? Toen zeiden zij smalend tot hem: “Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten we niet waar Hij vandaan is.” De man gaf hun ten antwoord: “Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand. Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als deze man niet van God kwam, had Hij zo iets nooit kunnen doen.”) Zij voegden hem toe: “in zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen ?” Toen wierpen ze hem buiten. Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: “Gelooft ge in de Mensenzoon?” Hij antwoordde: “Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.” Jezus zei hem: “Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt.” Toen zei hij: ” Ik geloof, Heer.” (-) En hij wierp zich voor Hem neer. (En Jezus sprak: “Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden.” Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: “Zijn ook wij soms blind?” Jezus antwoordde: “Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.”) Zo spreekt de Heer.

VOORBEDE

In deze Veertigdagentijd bidden wij om eilanden van hoop voor hen
die moeten leven in wanhoop of vrees.

Voor allen die in de gemeenschap van de Kerk
gezalfd en gezonden zijn om Gods Woord te verkondingen.
Dat zij naar het voorbeeld van Samuël Gods liefdes boodschap
verkondigen en voorleven.
Laat ons bidden…

Voor onze samenleving.
Dat het haar niet ontbreekt aan goedheid, gerechtigheid, waarheid.
Wij bidden voor allen met wie wij als Odaparochie in deze veertigdagentijd
verbonden zijn door onze vastenprojecten voor El Salvador en de stichting Kindia.
Wij bidden om een vruchtbare solidariteit die mensen en volkeren met elkaar verbindt.
Laat ons bidden…

Voor hen die blind zijn voor vrede en gerechtigheid.
Op weg naar Pasen bidden wij om het licht van de liefde.
Dat haat en afwijzing wijken voor verzoening en verbondenheid.
Wij bidden dat onze ogen geopend moge worden voor hoop en vrede.
Laat ons bidden…

Voor allen die zich in El Salvador en India inzetten voor het levensgeluk
van hun medemensen. Dat hun inspanningen niet zonder resultaat blijven.
Gods zegen vragen wij voor allen die hun leven in dienst stellen van
hun naaste. Dat eilanden van hoop troost zullen geven aan velen hunkeren
naar een menswaardig bestaan.
Laat ons bidden…

Misintenties…

Gebed in stilte…

God, Gij ziet niet zoals een mens ziet, Gij kijkt niet naar het uiterlijk, maar naar het hart. Wij bidden U, Heer, zie dan naar ons geloof en onze liefde tot onze naaste, dichtbij of veraf. Laat ons in deze Veertigdagentijd overgaan van de duisternis naar het licht en help ons vruchten voort te brengen van goed, gerechtigheid en waarheid. Door Christus onze Heer.


DERDE ZONDAG IN DE VEERTIGDAGENTIJD 18 en 19 MAART 2017

EERSTE LEZING Ex., 17,3-7

Uit het boek Exodus

In die dagen, leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst. Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: “Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven ?” Mozes klaagde zijn nood bij de Heer: “Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.” De Heer gaf Mozes ten antwoord: “Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.” Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet? Zo spreekt de Heer.

TWEEDE LEZING Rom., 5, 1-2. 5-8

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome

Broeders en zusters, Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid Gods. En die hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. Christus is immers voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. Men zal niet licht iemand vinden die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand in een bepaald geval dit van zich kunnen verkrijgen. God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren. Zo spreekt de Heer.

EVANGELlE Joh., 4, 5-42

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij deze bron zitten. Het was rond het middaguur. Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar: “Geef Mij te drinken.” De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen. De Samaritaanse zei tot Hem: “Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?” – Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen. Jezus gaf ten antwoord: “Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.” Daarop zei de vrouw tot Hem: “Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep: waar haalt Ge dan dat levende water vandaan? Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?” Jezus antwoordde haar: “iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.” Hierop zei de vrouw tot Hem: “Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten.” (Jezus zei haar: “Ga uw man roepen en kom dan hier terug.” “Ik heb geen man”, antwoordde de vrouw. Jezus zei haar: “Dat zegt ge terecht: ik heb geen man; want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet. “Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken. ” Heer, – zei de vrouw -) ik zie dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.” “Geloof Mij, vrouw, – zei Jezus haar, er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt. “Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. “De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. “God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.” De vrouw zei Hem: “Ik weet dat de Messias – dat wil zeggen: de Gezalfde komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen.” Jezus zei tot haar: “Dat ben Ik, die met u spreek.” Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug en zij stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: “Wat wilt Ge van haar?” of “Waarom praat Gij met haar?” De vrouw liet haar waterkruik in de steek, liep naar de stad terug en zei tot de mensen: “Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! “Zou Hij soms de Messias zijn?” Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan. Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden: “Eet toch iets, Rabbi.” Maar Hij zei hun: “Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.” De leerlingen zeiden tot elkaar: “Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?” Daarop zei Jezus hun: “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Wel nu, Ik zeg u: slaat uw ogen op en kijkt naar de velden; ze staan wit, rijp voor de oogst. Reeds krijgt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat zaaier en maaier zich samen verheugen. Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait. Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.) Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem (om het woord van de vrouw die getuigde: “Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.”) Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zeiden ze: “Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is. Zo spreekt de Heer.

VOORBEDE

Broeders en zusters,
laten wij bidden tot God, de almachtige Vader,
die wil dat alle mensen gered worden
en tot de kennis van de waarheid komen.

Voor alle herders in onze Kerk.
Dat zij zich in deze Veertigdagentijd
met de Samaritaanse vrouw in nederigheid keren tot
de bron van het geloof en daaruit leven en getuigen.
Laat ons bidden…

Voor de leiders van de volkeren.
Dat zij zich beijveren voor vrede en eenheid.
Wij bidden om een geest van solidariteit en broederschap
onder de wereldwijde mensenfamilie.
Laat ons bidden…

Voor allen die afgelopen woensdag in
onze volksvertegenwoordiging zijn gekozen.
Wij bidden om wijsheid en zegen over hun werk.
Dat zij zich inzetten voor recht en gerechtigheid
en bekommernis tonen voor de zwakken
en de lijdende in onze samenleving.
Laat ons bidden…

Voor allen die uitgeput zijn door de zorgen of de druk van het leven.
Dat zij in deze Veertigdagentijd gesterkt worden door
de Bron van het levend water van geloof, hoop en liefde.
Laat ons bidden…

Misintenties…

Gebed in stilte…

Almachtige eeuwige God,
Gij hebt in de woestijn de dorst van uw volk Israël gelest
door het water uit de rots.
Wij bidden U: schenk ons in deze tijd het water
dat Jezus ons geeft, en in ons een waterbron wordt,
opborrelend tot eeuwig leven.
Door Christus onze Heer.