Inleiding van Prof. Herwi Rikhof over het Heilig Jaar

Misericordiae Vultus

Een close reading van de bulle

Berne 5 oktober 2015

Inleiding

U hebt mij gevraagd om bij de opening van uw nieuwe werkjaar een close reading te geven van de bulle waarmee de paus een buitengewoon jubeljaar of jubileumjaar heeft afgekondigd. Die bulle is gedateerd 11 april 2015, op de vigilie van de zondag van de Goddelijke barmhartigheid. Die datum is niet zonder reden, omdat in dit bijzondere jubeljaar de barmhartigheid God centraal zal staan. Ik wil graag een close reading geven.

Maar de ene close reading is de ander niet. Natuurlijk staat de tekst centraal en als er zwart staat moet je niet wit lezen, maar als lezer neem je allerlei beslissingen, blijf je wel stil staan bij dit en niet bij dat, soms is die keuze bewust, soms haast onnadenkend. Dat heeft te maken met achtergrond, opleiding, sympathieën. Ik ben een systematisch theoloog en ik lees anders dan een bijbeldeskundige en weer heel anders dan een psycholoog of een jurist. Zij lezen dezelfde tekst anders, met andere accenten, en terecht omdat de tekst van de bulle daartoe aanleiding geeft. En iemand die de paus een ongeleid projectiel vindt, een Zuid-Amerikaanse macho zal anders lezen dat hem beschouwt als een Godsgeschenk en een echt spiritueel leider.

Ik zal beginnen met de tekst door te lopen, en een eerste structuur aan te geven. Dan zal ik ingaan op een aantal signalen in de tekst die met belang en betekenis te maken hebben. Daarna zal ik dan op een aantal onderdelen in gaan. De structuur die ik in eerste instantie aangeef is de basis voor de keuze van de onderdelen die ik nauwkeuriger zal lezen.

Een eerste lezing

De bulle bestaat uit 25 nummers of paragrafen, zonder verdere indeling. Maar het helpt wanneer we toch een indeling maken.

Par. 1 en 2 vormen een inleiding waarin de paus het thema van de barmhartigheid Gods als centraal thema van ons geloof presenteert.

Par. 3, 4 en 5 gaan over het jubeljaar, over het begin en over het eind, 8 december  2015 het hoogfeest van de onbevlekte ontvangenis en 20 november 2016 het hoogfeest van Christus Koning.

Par. 6, 7, 8 en 9 gaan over Gods barmhartigheid of m.a.w. behoren tot de Godsleer

Par. 10, 11 en 12 gaan over de barmhartigheid als de basis voor het leven van de kerk, of m.a.w. behoren tot de kerkleer

Par. 13 t/m 18 gaan over elementen van het jubeljaar in het leven van de kerk of bevatten m.a.w. opmerkingen van meer praktisch pastorale aard

Par. 19 over de reikwijdte van de boodschap van barmhartigheid

Par. 20 en 21 over de verhouding tussen gerechtigheid of rechtvaardigheid en barmhartigheid, en ook hier gaat het om een discussie die tot de Godsleer behoort

Par. 22 over aflaten en deze paragraaf behoort zowel bij de Godsleer als bij de kerkleer

Par. 23 over interreligieuze dialoog met Joden en Moslims

Par. 24 gaat over Maria en behoort tot de Mariologie

En de slotparagraaf, 25, vat een aantal zaken samen.

Ik heb nu niet alleen een indeling gemaakt, maar ook een paar karakteriseringen aangebracht: Godsleer, kerkleer, praktische pastoraat, interreligieuze dialoog. Hier verraad zich al de systematische theoloog. Maar die karakteriseringen verklaren ook op welke paragrafen ik straks nader wil ingaan of op welke thema’s ik me wil concentreren. Ik wil beginnen met elementen die tot de Godsleer behoren, daarna wil ik aandacht besteden aan elementen die tot de kerkleer behoren.

Maar voor dat ik dat doe wil ik eerst nog wijzen op een aantal signalen in de tekst die mij van belang lijken voor het verstaan van de tekst. Het gaat om beginzinnen, het motto, het begin en het eind van het jaar en de citaten

Het is de gewoonte in onze kerk dat officiële documenten met woorden beginnen die als het ware al de inhoud aangeven. Deze bulle begint met misericordiae vultus, gelaat van barmhartigheid. In het Latijn staat barmhartigheid voorop, de woorden hadden ook omgedraaid kunnen worden. Maar de keuze om deze volgorde te gebruiken en misericordiae, barmhartigheid voorop te zetten is een signaal; het gaat om barmhartigheid. Misericordiae vultus Patris est Christus Iesus.

De beginzin is ook altijd een statement: het gezicht van de barmhartigheid van de Vader is Jezus Christus. Ik heb nu anders vertaald dan gebeurt in de Nederlandse vertaling: die luidt: Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader. Die volgorde had er ook in het Latijn kunnen staan maar staat er niet. Inhoudelijk is er geen verschil tussen de twee vertalingen, maar ik vindt mijn vertaling spannender.

Het belang van dat statement wordt onderstreept door de volgende zin die als het ware een commentaar is op die beginzin. Christianae fidei mysterium in hoc verbo suam videtur invenire summam. In de verschillende vertalingen die op de website van het Vaticaan te vinden zijn wordt dit commentaar verschillende vertaald, wordt videtur verschillend vertaald. In het Frans staat er est la in het Italiaans sembra trovare, in het Duits scheint, in het Engels might well sum up. In de Nederlandse vertaling lijkt. De zekere Franse vertaling lijkt me te sterk, de Duitse en Nederlandse niet sterk genoeg. Ik vind de Engelse een goede combinatie van zekerheid en voorzichtigheid. ‘Deze woorden zouden het mysterie van het christelijk geloof wel eens het beste kunnen vatten.’ Zo in de trant van misschien wel de beste krant van Nederland

Hoe dan ook, de barmhartigheid Gods wordt verbonden met woorden als summam, hoogste of geheel. In par. 2 wordt ook een aantal superlatieven gebruikt in verband met barmhartigheid of worden termen gebruikt die het uiterste belang van barmhartigheid aan geven: bron, ons heil hangt er van af, openbaring van de Drie-eenheid, de uiterste en hoogste daad van God, de fundamentele wet in ons hart, de brug tussen God en mens. Het gaat dus niet om zomaar een onderwerp als de barmhartigheid aandacht krijgt. Het gaat om de kern van ons geloof.

Wanneer je met die gevoeligheid de tekst doorleest, dan valt op dat in het vervolg telkens dat soort woorden of karakteriseringen terug komen. Ik noem er een paar en ik zal er straks uitvoeriger op terug komen:

Het is eigen aan God barmhartigheid te zijn, (6)
in de Schrift is barmhartigheid een sleutelwoord als het gaat om Gods handelen met ons (9)
Barmhartigheid is de draagbalk van het leven van de kerk (10).
Barmhartigheid is het meest verrassende of meest verwonderlijke attribuut van God (summe miranda) ( citaat van JPII) (11),
Barmhartigheid wordt, opnieuw, onthuld als het fundament van de zending van Jezus (20)

Als God enkel rechtvaardig zou zijn, zou hij ophouden God te zijn, God gaat met barmhartigheid en vergeving verder dan rechtvaardigheid (21)

In dit geheel passen ook de opmerkingen die de paus maakt over het motto van het jubeljaar ‘Wij willen dit Jubeljaar beleven in het licht van het woord van de Heer: barmhartig als de Vader. De evangelist vermeldt het onderricht van de Heer, die zegt: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is” (Lc. 6, 36)’.(13) ‘Barmhartig zoals de Vader is dus het “motto” van het Heilig Jaar.”(14). Uit dit motto blijkt dat het jubeljaar twee focussen heeft: de Vader en wij en dat het gaat om de barmhartigheid van de Vader die wij moeten navolgen. Daarom zal ik straks nadrukkelijk stil blijven staan bij de barmhartigheid van de Vader, want als dat niet duidelijk is, weten we niet wat wij moeten doen. Of anders gezegd, de gedeeltes die ik heb aangeduid als Godsleer zijn geen theoretische speculatieve los zweverige gedachten, maar hier legt de paus het fundament voor alles wat hij over de kerk en over ons zegt.

Een ander signaal in de tekst is de reden die de paus aangeeft voor het begin en eind van het jubeljaar. Hij eindigt met de laatste zondag van het kerkelijk jaar, het feest van Christus Koning. Over dat eind is hij vrij kort, maar over het begin is hij veel uitgebreider en zijn tekst bevat een paar opvallende zaken.

Allereerst is dat begin niet de eerste zondag van de advent, zodat het bijzondere jubeljaar zou samenvallen met het kerkelijk jaar, maar het begint op 8 december, het feest van de onbevlekte ontvangenis. De reden die de paus daarvoor geeft is dat dit feest ‘wijst op de handelswijze van God vanaf het begin van onze geschiedenis.’ Het gaat dan om Gods reactie op de zondeval: na de zonde van Adam en Eva heeft God de mensheid niet alleen willen laten, ten prooi aan kwaad. Daarom heeft hij bedacht en gewild dat Maria de moeder van de verlosser zou worden’ (Hanc ob causam Mariam sanctam et omnis labis expertem in caritate (cfr Eph 1,4) cogitavit voluitque, ut Redemptoris hominis Mater fieret). In de lezingen van het feest wordt inderdaad een verband gemaakt tussen Eva en Maria (Gen 3) en wordt het bezoek van de engel Gabriel aan Maria gelezen. Met evenveel reden – of misschien wel met meer reden –  zou men dus kunnen stellen dat het begin van het jubeljaar op 25 maart zou moeten zijn: het feest van de aankondiging van de Heer, zoals dit feest heet sinds het Tweede Vaticaans Concilie (in plaats van Maria Boodschap). Er is dus iets vreemds, iets willekeurigs met dat begin.

Dat vreemde verdwijnt wanneer de paus nog een reden geeft voor de keuze voor 8 december 2015. Dan zal het namelijk vijftig jaar geleden zijn dat Het Tweede Vaticaans Concilie afgesloten werd. Dat lijkt me de doorslaggevende reden te zijn voor het begin. Vijftig is natuurlijk een mooi getal, een getal dat tot herdenken aanleiding is, een jubileum, maar er is veel meer aan de hand met deze verwijzing naar het Tweede Vaticaans Concilie.

In de tekst zelf is dat duidelijk. De paus gebruikt termen als ‘vol betekenis voor de recente geschiedenis van de Kerk’ Met het Concilie ‘begon een nieuw traject in haar geschiedenis’. ‘De Concilievaders kwamen, als een ware ademtocht van de Geest, tot het inzicht dat het nodig was tot de mensen van hun tijd op een begrijpelijkere manier te spreken over God. Nadat de muren die te lang de Kerk in een bevoorrechte burcht hadden opgesloten, omver waren gehaald, was de tijd gekomen om het Evangelie op een nieuwe wijze te verkondigen. Een nieuwe fase in de evangelisatie van altijd. Een nieuwe taak voor alle Christenen om met meer enthousiasme en overtuiging te getuigen van hun geloof.’ In deze citaten komt het woordje ‘nieuw’ vier keer voor. Ik kom daar zo op terug.

De paus citeert ook zijn twee voorgangers die nauw met het Concilie verbonden zijn Johannes XXIII en Paulus VI. Het noemen van die twee voorgangers is niet een beleefd of onschuldig ornament. Hij citeert van die twee pausen opmerkingen die op het eerste gezicht met barmhartigheid te maken hebben, maar die bij nader toezien een zenuw raken in de huidige discussie over het Concilie. Dit is nu niet het moment om die discussie uitvoerig aan de orde te stellen, maar ik moet er wel iets over zeggen om duidelijk te maken wat hier in de tekst doorklinkt.

Mede door opmerkingen van de vorige paus, Benedictus XVI, is er een discussie ontstaan over concilie-hermeneutiek, dat wil zeggen over de vraag hoe je het concilie moet verstaan. Heeft het concilie iets nieuws gebracht of niet? Is het Concilie een soort Pinkstergebeuren geweest of niet? Is er sprake van discontinuïteit of van continuïteit. Als je het zo scherp stelt ‘discontinuïteit of van continuïteit’ weet je dat zo’n ‘of’ niet klopt, onzinnig is, en dat het altijd veel gecompliceerder en genuanceerder ligt. Maar dat scherpe contrast kan wel op iets wijzen. Wie de geschiedenis van het Concilie bekijkt ziet dat vanaf de eerste dag er een discussie is geweest wat voor soort concilie dit Tweede Vaticaans Concilie moest worden. Een partij wilde een kort concilie waarin de bisschoppen de voorbereide teksten zouden goedkeuren, een andere partij wilde een concilie waarin overlegd werd op basis van allerlei ervaringen. In die voorbereide teksten was de sfeer en denktrant van vorige concilies aanwezig: defensief, veroordelend. En die sfeer en denktrant wilden de meerderheid van de bisschoppen niet. Wanneer aan het eind van de eerste sessie kardinaal Ottaviani het ontwerp voor de constitutie over de kerk presenteert, reageert de toenmalige bisschop van Brugge, mgr. DeSmedt met een speech die tot de meest geciteerde speeches van het concilie behoort. Hij vindt de visie op de kerk die in dit document naar voren komt te juridisch, te triomfalistische en te clericalistisch. En wanneer je het uiteindelijke document Lumen Gentium vergelijkt met dat eerste ontwerp en ook de tussenontwerpen erbij betrekt kun je zien dat die kritiek serieus genomen is. Er is een andere, nieuwe visie ontstaan. Paus Franciscus verwijst naar dit proces in dat citaat wanneer hij zegt: ‘Nadat de muren die te lang de Kerk in een bevoorrechte burcht hadden opgesloten, omver waren gehaald, was de tijd gekomen om het Evangelie op een nieuwe wijze te verkondigen.’

Naast deze historische gegevens die iedereen kan controleren zijn er ook taalkundige gegevens die ook iedereen kan controleren die wijzen op iets nieuws, iets anders. Terwijl de teksten van de vorige concilies vaak heel kort zijn en verbonden zijn met veroordelingen (wie dit houdt die is uitgesloten) zijn de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie lang en wat belangrijker is ademen ze een andere sfeer: veroordelingen ontbreken en een aantal andere termen zijn wel aanwezig. ….

Tegen deze achtergrond krijgt het feit dat deze paus teksten van twee voorgangers citeert een extra betekenis. Hij citeert namelijk van Johannes XXIII: ‘Nu geeft de Bruid van Christus er de voorkeur aan het geneesmiddel van de barmhartigheid te gebruiken in plaats van de wapens van de strengheid aan te leggen.’

En van Paulus VI: ‘In plaats van deprimerende diagnoses zijn er van het Concilie bemoedigende remedies, in plaats van rampzalige voorspellingen boodschappen van vertrouwen uitgegaan naar de tegenwoordige wereld….’

Daarbij komt dat paus Franciscus een paar termen gebruikt die in die huidige discussie een belangrijke rol spelen. De partij die wijst op discontinuïteit gebruikt termen als ‘gebeuren’, nieuw Pinkstergebeuren en het zijn dit termen die de paus gebruikt of op zinspeelt: hij karakteriseert het concilie als een gebeuren, een gebeurtenis (eventum), hij spreekt over de bisschoppen die ontdekten dat ze anders over God moesten spreken als bewogen door de adem van de Geest. De herhaling van de term nieuw past in deze visie. Dat hij er op wijst dat die gebeurtenis van het Tweede Vaticaans Concilie levend gehouden moet worden toont ten slotte aan dat hij vindt dat dat onvoldoende gebeurt.

Anders geformuleerd: de paus plaatst het jubeljaar over de barmhartigheid in het kader van de receptie van het Tweede Vaticaans Concilie en kiest daarbij voor een receptie waarbij het nieuwe van het Concilie voorop staat.

En vierde signaal zijn de citaten. De paus citeert op twee manieren: hij gebruikt zogenaamde interne verwijzingen en dan gaat het om verwijzingen naar plaatsen uit de Schrift, en hij gebruikt voetnoten en dan gaat het om verwijzingen naar documenten van het Tweede Vaticaans Concilie, naar een oude liturgische tekst, naar zijn voorgangers, Johannes XXIII, Paulus VI, Johannes Paulus II en naar een aantal kerkvaders en theologen: Augustinus, Beda, Thomas van Aquino, Johannes van het Kruis. Daarmee wordt duidelijk dat deze bulle een intern kerkelijk stuk is, een tekst die zich beweegt in het domein van de kerk en (in eerste instantie) gericht tot mensen van de kerk.

Ik ga nu over tot een lezing van bepaalde onderdelen van de bulle, zoals ik dat eerder heb aangegeven.

Een tweede lezing

Het eerste onderdeel dat ik wil bespreken heeft te maken met wat ik de Godsleer genoemd heb. Het gaat om de paragrafen 6 tot en met 9 en de paragrafen 20 en 21.

De paus opent par. 6 met twee citaten. Een citaat van Thomas van Aquino ‘Het is God eigen barmhartigheid te gebruiken en vooral hierin toont zich zijn almacht’ (unde et misereri ponitur proprium Deo et in hoc maxime dicitur ejus omnipotentia manisfestari ) en een citaat van een oud gebed, dat nog we nog steeds op de 26ste zondag door het jaar bidden en dus pas weer gebeden hebben: ‘God die uw almacht het meest toont door te vergeven en barmhartig te zijn… (Deus, qui omnipotentiam tuam parcendo maxime et miserando manifestas). Daarna brengt hij het Oude Testament ter sprake en dan met name de psalmen. In par. 7 legt hij een verband tussen Oude en Nieuwe Testament T via psalm 136 die Jezus bij het laatste avondmaal gebeden heeft en waarin na elk vers het refrein klinkt: ‘zijn barmhartigheid duurt eeuwig’.

De twee volgende paragrafen gaan over het Nieuwe Testament,  over het optreden van Jezus (8) (‘niets in hem mist barmhartigheid’) en over zijn prediking m.n. in de parabels van het verloren schaap, het verloren geld en de verloren zoon. ‘In deze parabels wordt God altijd voorgesteld als vol van vreugde, vooral wanneer Hij vergeeft. Hierin vinden wij de kern van het Evangelie en van ons geloof, omdat de barmhartigheid wordt voorgesteld als de kracht die alles overwint, die het hart met liefde vervult en troost met de vergeving.’

De paus noemt nog een andere parabel van de hardvochtige dienaar die zelf tonnen kwijtgescholden wordt en vervolgens een mededienaar om een paar centen de gevangenis in gooit. Daaraan verbindt de paus de conclusie dat barmhartigheid niet alleen een handeling van de Vader is, maar ook een criterium voor wie zijn kinderen zijn en hij citeert dan ook nog een van de zaligsprekingen ‘Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden’ (Mt. 5, 7). De paus besluit dan met een conclusie die ik al geciteerd heb: ‘Zoals men kan zien, is barmhartigheid in de Heilige Schrift het sleutelwoord om Gods handelen jegens ons aan te geven.’ Hij besluit dit gedeelte met ‘Zo barmhartig als Hij is, zo zijn wij geroepen barmhartig ten opzichte van elkaar te zijn’ en dat vormt de overgang naar het gedeelte over de kerk.

Maar voor ik het gedeelte over de kerk ga lezen, wil ik aandacht geven aan twee latere paragrafen die qua inhoud bij de Godsleer horen: paragrafen over de verhouding tussen rechtvaardigheid of gerechtigheid enerzijds en barmhartigheid anderzijds. Hoewel die paragrafen wat later in de bulle staan, gaat het niet om een discussie die wat los staat van de eerdere opmerkingen over God, al was het alleen maar om die opmerking die al geciteerd heb: dat God op zou houden God te zijn, wanneer hij zich zou beperken tot rechtvaardigheid.

In die paragrafen neemt de paus een aantal stappen die ik voor de helderheid uit een leg en waarbij ik niet de gang van het betoog precies volg.

Waarom bespreekt de paus de relatie tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid? Misschien omdat hij in het voorafgaande heeft gesproken over criminele organisaties en corruptie en die vraagt om juridische acties, veroordeling, straf. Misschien omdat hij weet van het argument dat vaak klinkt in onze maatschappij tegen een softe behandeling van misdaad en voor een verhoging van de strafmaat, een argument dat ook Thomas noemt in zijn discussie van de verhouding tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid: dat barmhartigheid een verzwakking is van rechtvaardigheid. Ik zal straks op Thomas terug komen, maar ik noem hem hier omdat het antwoord dat de paus geeft, hetzelfde antwoord is dat Thomas geeft.

Dat antwoord is: rechtvaardigheid en barmhartigheid zijn ‘niet twee aan elkaar tegengestelde aspecten, maar twee dimensies van één werkelijkheid die zich geleidelijk ontwikkelt, totdat zij haar hoogtepunt bereikt in de volheid van de liefde.’ (20) In deze formulering zit opgesloten dat rechtvaardigheid zoiets is als een eerste stap en dat barmhartigheid een tweede stap is. Gaandeweg wordt duidelijk dat die tweede stap een vergrotende trap is.

De paus citeert in deze paragrafen niet de parabel die bij Thomas wel doorklinkt: de parabel van de werkers van het elfde uur. De wijngaardenier geeft aan de werkers van het eerste uur hun overeengekomen loon, maar aan de werkers van het elfde uur hetzelfde. Dat roept de reactie op van onrechtvaardig, maar de wijngaardenier in zijn reactie op de opmerkingen van de werkers van het eerste uur gebruikt de term goed: ben je kwaad omdat ik goed ben. Hier komt een onderscheid naar voren dat de paus ook gebruikt: rechtvaardigheid is een concept dat behoort tot de burgermaatschappij. Het verwijst naar een rechtsorde die ook onderhouden wordt, naar wetten en regels en afspraken. Zo’n rechtsorde is een kostbaar iets: dat kunnen we dagelijks zien op al die plekken waar die rechtsorde niet aanwezig is. Maar als we denken dat een rechtvaardige samenleving dus het rijk van God is, maken we een fout. Keer op keer in het evangelie maakt Jezus duidelijk dat het om meer dan regels en het onderhouden van regels gaat: ‘Ik verlang barmhartigheid geen offers’. Jezus’ discussie over de wet met de wetgeleerden is een discussie over een formalistische, minimalistische interpretatie, die zij voldoende achten voor het rijk van God. Precies de parabel over de werkers van het elfde uur stelt dit verschil aan de orde. De paus wijst op het gevaar van die minimalistische, legalistische interpretatie (20) en zegt dat de ervaring leert dat rechtvaardigheid alleen leidt tot het verdwijnen ervan (21) Of om het Bijbels te zeggen: de sabbat is er voor de mens, de mens is er niet voor de sabbat.

Barmhartigheid is dus geen verslapping van rechtvaardigheid, maar is de kern ervan, zoals Thomas argumenteert, of is de vervolmaking ervan zoals de paus betoogt. In beide gevallen gaat het over een vergrotende trap. Dat betekent niet dat rechtvaardigheid, dat straf voor een misdaad, niet van belang is. Integendeel, het is van belang, maar als het begin van een proces van bekering dat eindigt met liefde.

In dit gedeelte herneemt de paus wat hij eerder heeft gezegd over God, over Gods handelen jegens ons mensen. Wanneer hij zegt ‘als God het bij rechtvaardigheid zou houden, hij op zou houden God te zijn’ (21) is dat feitelijk een herhaling van de beginzin die de toon zet voor het gedeelte dat ik Godsleer heb genoemd. Die beginzin is een citaat van Thomas. ‘Het is God eigen barmhartigheid te gebruiken en vooral hierin toont zich zijn almacht.’

Thomas is niet de enige theoloog die de paus citeert, maar terwijl de citaten van Augustinus en Beda zijn meer een bevestigingen, onderstrepingen van wat hij zegt dan dat het citaat het betoog stuurt. Dat is wel het geval met het citaat van Thomas en daarom wil ik daar even bij stil blijven staan.

‘Het is God eigen barmhartigheid te gebruiken en vooral hierin toont zich zijn almacht.’ Het citaat komt uit een discussie van Thomas in zijn laatste werk de Summa Theologiae over de barmhartigheid als een innerlijk effect van de deugd van de charitas, de liefde. In dat citaat zegt Thomas twee belangrijke zaken: allereerst dat barmhartig zijn eigen is aan God: proprium Deo. Vervolgens dat Gods almacht het meest in zijn barmhartigheid tot uiting komt: maxime omnipotentia manifestari.

Over beide punten wil ik iets zeggen.

Proprium, eigen: je kunt dat verstaan als eigenschap, als iets kenmerkends van de persoon, van zijn/haar doen en laten. Eerder in de Summa wanneer Thomas bezig is met over Godzelf na te denken besteedt Thomas ook aandacht aan de barmhartigheid Gods en wel samen met aandacht voor de rechtvaardigheid (ST I q. 21). Ik kan nu niet met u dit gedeelte lezen, het betoog analyseren maar alleen een paar citaten geven. Op de vraag of barmhartigheid God past, is Thomas’ antwoord: aan God moet ten zeerste barmhartigheid worden toegekend (misericordia Deo maxime attribuenda est). Thomas gebruikt hier maxime, een overtreffende trap. Voor een theoloog die heel spaarzaam is met woorden in de overtreffende trap is dit een belangrijk signaal. Die overtreffende trap komt ook terug wanneer Thomas de vraag stelt of in al Gods werken barmhartigheid te vinden is en dan antwoordt dat dat inderdaad het geval is: in wat God ook doet is de wortel barmhartigheid (in quolibet opere Dei apparet misericordia quatum ad primam radicem ejus)

De paus verwijst een keer naar psalm 51, de Miserere, in de discussie over rechtvaardigheid en barmhartigheid. Thomas’ commentaar op die psalm bevat wat ik zou willen noemen het Hooglied van de barmhartigheid. In dat loflied op de grootte van Gods barmhartigheid (magna misericordia) staat o.a. dat de barmhartigheid Gods groot wordt genoemd omdat ze boven alle werken Gods uitgaat een duurzaam, eeuwig is, maar er staat ook een uitleg van groot die ik in eerste instantie verkeerd vertaalde en begreep, omdat ik zo’n uitleg niet verwachtte. Maar het staat er echt: “groot” vanwege de kracht, omdat zij [de barmhartigheid] God mens laat worden, God uit de hemel op de aarde heeft geplaatst, en de onsterfelijke laat sterven. (Item magna virtute, quia Deum hominem fecit, de caelo Deum ad terram deposuit, et immortalem mori fecit). De barmhartigheid als de basis voor de menswording. Groter kan niet.

Ik kan nu kort zijn over het tweede punt van dat citaat van Thomas waarmee de Paus zijn gedeelte over God begint: dat Gods almacht in zijn barmhartigheid het meest tot uiting komt. Gods almacht verwijst naar het handelen van God jegens ons. Almacht is een term die makkelijk misverstaan wordt, in te trant van heel machtig, alles kunnen en willen bepalen en dan met een zekere willekeur. Thomas corrigeert dat mogelijke misverstand. De Paus zegt over Jezus : ‘Alles in Hem spreekt van barmhartigheid. Niets in Hem is zonder medelijden’(8). Jezus is daarin zoals het de beginzin van de bulle staat: het gelaat van de Vader. De almacht van de Vader blijkt uit het doen en laten van de Zoon.

Ik ga nu over naar wat de paus over de kerk, over ons christenen als volgelingen van Jezus Christus zegt.

De paus sluit het gedeelte over Gods handelen met ons met de opmerking: ‘Zoals de Vader liefheeft, zo hebben de kinderen lief. Zo barmhartig als Hij is, zo zijn wij geroepen barmhartig ten opzichte van elkaar te zijn’.

In dat citaat zit een zekere spanning tussen enerzijds een constatering (zoals de Vader liefheeft zo hebben de kinderen lief) en anderzijds een opdracht (zo barmhartig als hij is, zo zijn wij geroepen..). In het vervolg overheerst dat laatste.

Ik citeer een paar zinnen uit het begin van dit gedeelte over de kerk: ‘Alles in haar pastoraal handelen zou moeten zijn omgeven door de tederheid waarmee zij zich richt tot de gelovigen: niets van haar verkondiging en haar getuigenis naar de wereld toe mag zonder barmhartigheid zijn. De geloofwaardigheid van de Kerk gaat langs de weg van de barmhartige en medelijdende liefde.’ Barmhartigheid is dus een kwestie van alles en (of) niets.

Precies omdat die opdracht overheerst, is het begrijpelijk dat de paus constateert dat de kerk al te lang dit vergeten heeft en zich exclusief op de gerechtigheid heeft gericht en vergeten heeft dat dit (maar) een eerste stap is, maar ook constateert dat in onze cultuur de ervaring van vergeving afneemt. (10, en 11)

Ik heb al eerder aan gegeven dat de paus als motto voor het jubeljaar aangeeft ‘Barmhartig zoals de Vader’ . Dat onderstreept hoe belangrijk die opdracht is. Wanneer hij over die opdracht schrijft gebruikt de paus een gepassioneerde taal

‘Hoeveel situaties van onbestendigheid zijn er aanwezig in de wereld van vandaag! Hoeveel wonden zijn er geslagen in het vlees van zovelen die geen stem hebben, omdat hun kreet verzwakt en verstomd is door de onverschilligheid van de rijke volken. In dit Jubeljaar zal de Kerk nog meer geroepen zijn deze wonden te verzorgen, ze te verzachten met de olie van de troost, ze te verbinden met de barmhartigheid en te genezen met de verschuldigde solidariteit en aandacht. Laten wij niet vervallen in onverschilligheid die vernedert, in gewenning die de geest verdooft en verhindert het nieuwe te ontdekken, in cynisme dat verwoest.’(15)

Daarom vindt hij ook dat in het jubel jaar de werken van barmhartigheid speciale aandacht moeten krijgen, de werken die de Heer in het verhaal van het Laatste Oordeel gebruikt als criterium, tot verbazing van de mensen aan de linker- en aan de rechterkant. ‘Wanneer hebben wij u dan…’.

Wanneer ik dit verhaal lees, ben ik altijd weer getroffen door de verbazing links en rechts verbazing omdat deze vluchtige werken die telkens opnieuw gedaan moeten worden het criterium zijn voor een goed leven en niet het volgen of overtreden van de regels. Het laatste oordeel lijkt op een rechtszaak, maar is wel een heel vreemde rechtszaak: er wordt niet gekeken naar wat iemand verkeert heeft gedaan, maar of iemand iets goeds heeft gedaan. Iemand kan zich keurig aan de regels houden, maar niets goeds doen.

De paus verbreedt de klassieke werken van barmhartigheid: hij spreekt niet alleen over de lichamelijke, maar ook over de geestelijke werken van barmhartigheid, niet alleen over hongerigen te eten geven, vreemdelingen op te vangen enz. , maar ook over ‘twijfelden raadgeven, onwetenden onderrichten, zondaars vermanen, bedroefden troosten, beledigingen vergeven, lastige personen geduldig verdragen, tot God bidden voor de levenden en de doden.’ (15)

In dit verband past ook wat hij over het sacrament van de boete zegt en over de biechtvader: die moet ‘geen impertinente vragen stellen, maar zoals de vader van de parabel het door de verloren zoon voorbereide verhaal onderbreken’ en die moet naar de andere zoon gaan en hem uit leggen ‘dat zijn streng oordeel onjuist is en geen zin heeft ten overstaan van de grenzeloze barmhartigheid van de Vader’ (17).

De paus gebruikt hier dus de parabel van de verloren zoon of van de twee zonen om over de taak van de biechtvader te spreken. Daarmee pakt hij een oude traditie op waarin een andere parabel, die van de barmhartige Samaritaan, het model is voor de biechtvader en zijn werk. In de loop van de geschiedenis is de barmhartige Samaritaan vervangen door een min of meer strenge rechter die allerlei vragen stelt om de zwaarte van de straf vast te stellen.

Maar wat hij over de biechtvader zegt, heeft op ieder van ons betrekking. Wanner de paus als een van de eerste elementen van het jubeljaar de pelgrimstocht noemt dan verbindt hij dat meteen met de visie op het leven als een tocht: de mens is een viator, een pelgrim op weg naar een doel. Hij onderscheidt met behulp van een tekst uit het evangelie van Lucas fasen in deze tocht. ‘Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeelt niet, dan zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij, en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken” (Lc. 6, 37-38).  En hij verbindt daaraan de conclusie dat Jezus vooral zegt of op de eerste plaats zet: niet te oordelen en niet te veroordelen. ‘Als men zich niet het oordeel van God op de hals wil halen, mag niemand rechter worden van zijn eigen broeder of zuster’. (14).

Conclusie

Over de bulle is nog veelmeer te zeggen. Ik heb nu geen aandacht besteed aan allerlei praktisch pastorale elementen en ook niet aan het mooie logo. Ik heb ook geen kritische geluiden laten horen, bijvoorbeeld over het ontbreken van de Geest en het verband tussen de werkzaamheid van de Geest en het vergeven van zonden (vgl. de sequentia van Pinksteren, Veni Sancte Spiritus. Maar ik hoop dat ik in mijn close reading de kern van wat de paus voorstaat met dit bijzondere jubeljaar duidelijk heb kunnen maken en wat de basis is, moet zijn voor onze activiteiten in dit jaar

Ik kan het geheel ook samenvatten in moderne management-speak
barmhartigheid is Gods core business,
barmhartigheid staat centraal in Gods mission statement zoals duidelijk wordt in het doen en laten van Christus Jezus
barmhartigheid moet daarom centraal staan in ons mission statement.

Herwi Rikhof